Wat?
GECORO staat voor Gemeentelijke Commissie Ruimtelijke Ordening. Dit is een verplicht adviesorgaan waarvan de samenstelling wettelijk is vastgelegd.
De GECORO adviseert het stadsbestuur inzake het ruimtelijk beleid. Doel is de kwaliteit van het ruimtelijke ordeningsbeleid te bevorderen en er een maatschappelijk draagvlak voor te creëren. Zo kunnen nog beter overwogen beslissingen worden genomen.
De GECORO bestaat uit deskundigen inzake ruimtelijke ordening en uit vertegenwoordigers van de belangrijkste maatschappelijke geledingen.
De mandaten voor de GECORO duren zes jaar en lopen gelijk met de legislatuur van de gemeenteraad.
In een aantal gevallen is het advies van de GECORO verplicht, o.a. bij opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, ruimtelijke uitvoeringsplannen of stedenbouwkundige verordeningen. Daarnaast is het mogelijk de expertise van de GECORO in te roepen op verzoek, bv. bij gecompliceerde projecten.
Samenstelling
GECORO Bilzen-Hoeselt bestaat naast de voorzitter, die door het college wordt voorgedragen en een deskundige ruimtelijke ordening is, uit 17 leden en hun plaatsvervangers.
De commissie bestaat uit acht deskundigen op het vlak van ruimtelijke ordening en negen vertegenwoordigers van de voornaamste maatschappelijke geledingen. Ze zijn o.m. actief in milieu- en natuurorganisaties, verenigingen van werkgevers of zelfstandigen, handelaars, landbouwers, werknemers, erfgoed, jeugd en gezinnen, senioren, toegankelijkheid en/of vrije tijd.
In het besluit onderaan kan je de volledige samenstelling vinden.
Profiel van de leden
De deskundigheid van de leden hangt af van factoren zoals opleiding, diploma, specifieke kennis of ervaring, huidig lidmaatschap en vertrouwdheid met de stad.
Daarnaast moeten ze kennis hebben van de hedendaagse ruimtelijke problematieken en methodieken en voeling met de ruimtelijke ontwikkeling van Bilzen-Hoeselt.
De commissie is zoveel mogelijk een afspiegeling van de lokale samenleving qua leeftijd, afkomst en sociale klasse. Het decreet Lokaal Bestuur bepaalt dat binnen een overlegstructuur hoogstens 2/3 van de leden van hetzelfde geslacht mag zijn.
